Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b e

JONGELING

(No. 18.) Den 31. Julv 1786.

Ik heb by onze fchryvers , die de wereld weeklyks toefpreken , een' zekeren dwang opgemerkt, die in het minsc niet naar myn' fmaak is. De grootte en het getal hunner Bladzyden worden niet gefchikt naar de menigte van hunne gedachten, maar hunne gedachten voegen zich naar het'formaat , en het getal der Bladzyden , die zy van eerden af voor hun werk bepaald hebben. Daar moeten juist acht of zestien Bladzyden wezen, het zy dat zy daar gedachten genoeg voor hebben of niet , en zy zyn daar in zo gemoedelyk, dat zy zouden denken , hunne Lezers te benadeelen , indien zy fieents éénmaal van hunne eerde bepaaling afgingen. Voor lezers , die de deugd van een werk Daar het getal der Alphabetten rekenen , is het zekerlyk een groot nadeel, als zy eenige bladen druks by een Werk minder krygerr. Maar voor zulke Lezers moesten alleen lieden fchryven , die aan een algemeen Woordenboek werken. Dceze dwang toch , welken fommige Sehryvers zich zeiven aandoen , heeft onaangeuaame gevolgen. Men vind in verfcherden van onze weekbladen , die anders redelyfc wel in achting zyn, zekere droomigheid en wydloopigheid, die ons S de

Sluiten