Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 146 )

Myn Heer !

Vergun my, dat ik u de zuivere waarheid zeg; gy zyt voor een Jongeling veel te kwaadaartig. Ik heb uw zestiende Vertoog met verbazing geleezen. In den beginne vond ik het karakter eens Dichters uit MARTiaLj?, die zynen vrienden met zyne Verzen tot een last word (». Dit deed my denken , dat gy met die geenen, welke geftaadig voor uwe karakters zekere perzoonen zoeken,-den fpot hebt willen dry ven, door uit de fchriften der Ouden befagchelyke karakters te vertaaien, zonder zulks te kennen te geven. Ik werd in die goede meening bevestigd, wanneer ik in het (lot van uw Blad den 6natho uit Terentiüs vond (Z-). Want de plaats uit MartiSlis was my zo wel als de afbeelding van Gnatho uit Terentiüs

nog

00 Oceurit tibi nerno quod libcntcr,

Quod, quacunque venis, fuga clt, et ingens Circa te, Ligurine, folitudo : Quod fi fcire cupis, nimis Poeta es. Hoe valde vitium periculofura eft. Non tigris catulis citaia raptis Non dipfas medio pcrutta ible, Nee fic fcorpius improbus timetur. Nam rantos rogo qtiis ferat labores: Et ftanti Icgis, et legis fedenti: Currenti legis, & legis cacanti: ln thermas i'ugio, ibnas ad aurem: Pifcitiam peto, non licet natarc: Ad coenam propcro, tenes euntem : • . , Ad coenam venio, fugas fedentem:

Laffiis dormio , fufcitas jacentem. Vis quantum facias mali vidcre? Vir jullus probus, innoeens timeris.

MART. libr. K efgr. So.

"•' (/') Hoe novum eft aucupium: Ego hanc primus inveni viam. 1-ft genus hominum, quj eiïe primos fe omnium rerum volunt; Nee lent; hos confeétor: hifce ego non paro me, ut rideaut; Ked cis ultro arrid-o , ec eorum ingcuia admiror ftnbl. Quicquid dieunt laudo, id rurfum ii ncgant, laudo id quoque; Negat quis, nego: ait, aio! poftremo imperavi egomet milii Omnia alleman. Is queftus nunc eft multo uberrimus, etc.

TERENTIÜS in Eunuch. AR. II. S.: f.

Sluiten