Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D E

JONGELING

(No. 20.)

Den 14. Augostcs.

(Vervolg vnn her. voorgaande No.)

Aan ilcn Jongeling. Myn Heer!

Ik merk, wie gy zyt, gy moogt 11 zo zorgvuldig verbergen, als gy wilt. Gy zyt myn Landsman, en dit laat ik my niet ontleggen ; federt gy uw zestiende Vertoog gefchreeven hebt. Hoe gelukkig is door u zekeren Huichelaar getroffen, die in onze ftad reeds zo veele Erfenisfen in zyne magc heeft gekreegen! Ik prys u, dat gy een'Man befpottelyk hebt gemaakt , dien de traanen van zo veele Weduwen en Weezen nog niet tot berouw en erkentenisfe van zyne ongerechtigheden gebragt hebben. Die Laaghartige waant , dat hy voor alle zyne ongerechtigheden vergoeding doet , wanneer hy eenige Armhuisjes fticht, Gebedeboeken maakt, en met voel gerucht , éénmaal 's jaars Aalmoesfen uitdeelt. Heb ik niet wel geraaden, wie uw Gorg ** an is ? Ik ben

Myn Heer!

Uw oplettende Lezer

Miciiiel Zeker.

De volgende Brief betreft het Zelfde karakter.

V Aan

Sluiten