Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C26 5

te verdienen, èene Staatsgedeldheid is, waar van de Ieeden, menfcnen zijn, die gansch niet zonder God in de WaêSield leeven, dan het verwondert mij niet, dat zich de Duivel van die list bedient, en hun den naam van oproerigen doet draagen , zij hebben dien blaam met bunnen Heer gemeen, tegens wien de ongeloovige joden altoos riepen: Hijbc oert bet volk.

Phileet. O mijn waarde Philarch'! de eerde Christen Kerk lag ook altoos onder dien blaam waar onder nu de Stadhoudersgezinden leggen. Gij weet het, Keizer Trajaan anderzints door zijne menfchen-liefde zoo beroemt, heeft zelfs de zagtzinnige Püneus als voor-Burgemeester naar Ponthus en Bythinien gezonden, om aldaar te regeeren, met last, om de Christenen als Christenen te flraffen: want in hoedanigheid van dien naam wierden zij voor oproermaakers gehouden. Plinius onderzoekt de zaak van de Christenen, en fchrijft'er den Keizer in zijnen 97de Brief van 't 10de Boek over, als over eene zeer onfchaadelijke fuperftitie, en niet meer.- die Brief verdient uwe leezing; de blindheid van Plinius, die hem zoo traanwaardig maakt, vermindert niets van de achting, die zijn character in dezelve ons afvordert, en de Keizer door'dezelve tot zachter gedachten gebragt, blijft wel nog voor de draf inclineeren: maar verbied, 't eerst het onverhoord veroordeelen , in deeze woorden van de pSfte Brief, 't 10de Boek, daar hij zegt: In geen misdaad, van welke aart die zij, moeten befchuldigingen aangenoomen worden , zonder dat de bejchuldiger zich openbaar doe kennen: want een teegenovergeflcld gedrag komt van flegte voorbeelden her, en is onwaardig van de tijd, waar in wijleeven Ca) met dat alles was en bleef Trajanus een voorbeeldig Vorst, en als naderhand het Licht des Euangeliums alom fcheen, hebben zelfs de Christenen achting voor zijn na-gedachtenis gehad, en eeven als toen Trajanus was, zoo zijn 'er ook nog heeden braave Regenten, die omtrent de Stadiiouders-gezinden in dwaaüng verkeeren; maar ook deezen doen als dien Keizer, en zijn te menfchelijk, te grootmoedig, 01a onverhoord te veroordeelen en ik wil eigenlijk dit zeggen , dat zulke Regenten, hoe zeer zij in dwaaling hier omtrent verkeeren, binnen den tijd van een jaar zullen gewaar worden., dat St/dhouders ■ gezinden gansch andere menfchen zijn als zij zich ingebeeld hebben; want laat het Oranje doorbreeken zo fterk als het wil, hunne doelen der

Eere

(a) Sine auctore vero propofiti libella, nullo crimine locum habere debent. Nam Se. pesfimi exempli, nee nostre feculi est.

Sluiten