Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 37 )

wat te zeggen, dat zulk oen Vaderlands', zulk een braaf, zulk een edeerd, en zulk een fatfoenlijk Man , met een fchoelje een fchobbejak als Arends moet gelijk gefield worden? t Is

onrechtvaerdig dat vonnis. Wat dunkt de Heeren ? Kan

'c 'er door? Immers.neen, waarachtig met! ■ Ln wat

zeggen de Dames? . ,

Ca lp urn ia. In zaaken van recht kennis te prctendeeren flaat eener vrouwe kwalijk. Verfchoond ons dus mijn fleer. F en ding kunnen wij u zeggen; een Scheepensbank van t Platte land of een Collegie vanWelgeboorcnMannen te taxeeren, Haat dunkt ons kwalijk, en dus zulks te doen omtrent de Scheepensbank. van Amflerdam, dewelke voor rechtvaerdig gereputeerd is is iets 't welk ons niet voegen zou; wij verzoeken dus verfchoond te zijn. _

Plinius. 't Geen Mevrouw daar belieft te zeggen is fchoon, en voor zoo ver ik het gezelfchap aanzie, is 't mets dat mijn Heer zich hier zoo uitlaat: maar 't is anders onvoorzichtig zich in eencn adem tegen de Opperde Macht te vergrijnen , zijn' Landgenoot te beieedigen , en zich in gevaar van een pak'flaagen te dellen: want wie zegt u, Mijn Heer! dac die Heer ("wijzende op mij) en dat ik, over Hespe en Arends even zoo denken als gij, of dat zoo wij met u al verlchillen, niet bedaard genoeg van geest zullen zijn, om u met reden

te keer te gaan? Inmiddels zoo gij of niemand van 'c

gezelfchap 'er tegen is , wil ik u mijn gevoelen over uwe

gezegdens wel zeggen. '

Eunobarbus. Spreek op, mijn Heer! ik verzeker u , dat ik mijne verdediging gereedt heb. Ik hou veel van redentwisten, en 't zou mijn fortuin aan de Academie geweest hebben maar ik verdom de taal der fchoolvoslen niet genoeg en was 'er ook maar om een Tijtel, en nu ben ik in mijn'vaders Tralie en lees behalven de fchriften van den onfterfelijken Ridder van der Capellen, van F. A. van der Kemp en de Post van den Nederrhijn niets. Ik fchnjf'zomwijlen aan mijn Vriend Hespe .wel eens een brief voor zijn Poli. iicque Kanjer, zoo dat gij ligt begrijpt, Mijn Heer! dat mij' 't oordeelen over Staatszaaken zoo eigen is, als een Lakenverwers jonge die bij de verwketel opgevoed is, 't oordeelen over de kleuren. '

Piinius. Vooreerst dan fielt Mijn Heer, dat het erin ons I and flegt uitziet, om dat gij Hespe wildet geiaurbrd en

Arends gegeesfeld zien. ■ Ten tweede legt gij Hespe

braafheid ^Vaderlandsliefde, geleerdheid en fatfoen toe, van Arends maakt gij een uitvaagzel. Ten dèrde ver¬

klaart gij om de gelijkheid van hunne vonnisten de Amfter ' dtmfche Scheepensbank voor onrechtvaerdig'. — is't zoo niet?

C 3 Eu-

Sluiten