Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 74)

Hier neveni zend ik u een dicbtfhik, omtrent het welken , verfcheide dingen zijn aantemerken, ten eerjlen aan welk eene kleinigheid (zoo gij goedvind het te plaatfenl de Maaticappij te danken heeft dat het in uw Weekblad, het licht ziet; ten tweeden welke zaaken ik in het zelven mijne Landgenooten hebb' zoeken onder't oog te brengen; ten derden op hoedanig een' wijze en waarom ik daar in den Latijnfchen Dichter op 't fpoor getreeden ben , ten vierden zal ik de duistere uitdrukkingen door juiste bepaalingen van alle dubbelzinnigheid ontheffen de Natuur die eenvouwdige

Leermeesteresfe heb ik zonder kunstelen trachten na te bootzen.

Wat het eerde aanbelangt. Na afloop van 't gewoon gewoel des daags, zat ik in mijn vertrek als eeven 't lichtopgeftooken was; mijne verbeelding is zeer vlug, en'tiseeven daarom niet te verwonderen, dat mijne gedachten op eene perfoon, of zaak zoo vast zich bepaalen kunnen, dat ik afweezende perfoonen , waar aan ik alleen denke, onder 't bereik der uiterlijke zintuigen meen' te hebben; en dit viel nu voor. inderdaad ik meende dat Laophorus die mij die dag voorbijgegaan was voor mij ftont en fehrikte over de aanweezigheid van eenen Preediker, die een waarachtigenvuurbrand is, die, met te vreede , met de fchande, van in zijne Stad alles bedorven te hebben, rond gereist is, niet om te preediken een getrouw woord, der aanneeming waardig, neen , maar met zijne preediking, tot hoon der Christenheid, en 't gevoelen van eenen Thomas Muncerus roortteplanten, Kerken Staat te doen waggelen, de troost van den door't geloove leevende Christenheid weg te neemen, en *s Waerelds Heiland zijn plaats aan 's Vaders rechter hand fhïjdig te maaken" Verbaast over dit bezoek en hem kort willende aflcheepen * riep ik hem toe, ó tweede Catilina, Catilina voor mijn Va' derland, monster, wat fmeedt gij? Mijne fterke verbeeldingskracht verloor in deeze uitdrukking zijn vuur, en ik za°- dat ik alleen was, waar heen kan de verbeelding ons voeren en welke gelijkheid hebben Catilina en Laophorus te faamen dagt ik, echter na een oogenblik gepeinst te hebben liep ik naar mijne handbibliotheek, kreeg 'er mijn Salustius uit zogt daar de befchrijving van het gelaat van Catilina in op en zag met verbaazing dat ik met wel gereegelde vergelijking in de ganfche Oudheid geen meer gelijkend beeld aan Lao phorus kon vinden (*j, Laophorus is een Preediker wiens

hou-

C) Salvstivs teekent zifne Catilina omtrent eeven eens en zegt: Namque animus impurus Diis, Hominibusque mfestus neque vigihis, neque quietibus fedari poteratua Coufcientia mentem excitam vexabat. Igitur colos

ejui

Sluiten