Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(75)

houding en eeflalte een gemoed aanduidt door een fcficrpknaagend geweeten geftaadig gefoltert, en ais een -die, om dat hij God en menfchen beleedigt heeft, nacht noch dag ruste vindt, rank is hij als een rietftaf, tusfehen flink angs zijn Hoofd hangende haairen fchuilt een gelaat, bleek als dat van eenen dooden der rotting nabij, zijne vaale oogen zijn als bewolkt, nu fchijnen omfkmdigheeden van buiten hem fnel, dan langzaam aantedoen, en in zijn geheel gelaat en geftaften, is het zegel van gruwlen (in de afgrond geteelt) al-

^DTtVpel der verbeelding veroorzaakte dat ik Salustius bleef doorbladeren en in zijn boek de Bcllo Catalinario of over het gefmeed oproer van Catilina, vooral bij het 12de en 13de Hoofdftuk bleef ftilftaan. Een eerlijk man raag in diepe gedachten zijn beftaan vergeeten , zijn welvaard verzuimen: maar zijn Vaderland en de algemeene belangens zijn hem altoos voor oogen. óDagt ik, wanneer ik debefchnjvmgvan den Staat van Rome daargemaald vond , hoe gelijk is die aan den tegen*oordigen Staat van mijn Vaderland; en verwonderde zich een Salustius niet, dat in zulk een Staat van zaaken een Catilina zamenrottingen fmeeden kon, wat behoef ik mij te verwonderen, dat een Laophorus zulks hier kan doen. De Dichtkunst is eene hemclfche gaaf: maar word meest al misbruikt, waarom, dagt ik, zingen wij niet meer voor't Vaderland, en waarom verlaaten wij t voetfpoor der

OUOnd'er eenige andere zaaken dagt ik op deeze Ode welke zoo als zij was met eenige verandering den Staat van zaaken zeer wel naar mijn zin uitdrukte (want de Leezer moet weeten dat ik een Poëet ben, en dat Poëten niet weinig met ziebzehen geeëfeert zijn) en dit voorval in mijne verbeelding, dit alleen is de oorzaak dat ik u Philarch m Haat

ftelle dezelve in uw Weekblad te plaatfen.

Bei angendf. het tweeden in de Ode die gij mijn vriend nu nam tijds omftandigheden verplooit, bekomt; zijn drie dingen bijzonder in 't oog te houden, te weeten • dat de zes eerde Coupletten's Lands naare omflandigdi"heden onbewimpelt voordellen , en zijn wij niet van binnen beroert, van buiten befpot, en is dit met te wijten aan een hoop van Volk, dat alle maatfchappijlijke banden

breekt Schutterijen in de Schutterij opwerkt, niet aars

fchreeuwt dan van verloorne Privilegiën te herfteljeh? Wpp. den wij door zulk een hoop niet geftadig tot muiterij aansuis exfanguis, fcedi oculi; Citus modo, modo tardus fnc sto' prorfus in facie, vultuque vecord.a merat. in(^ K vilje Bellum Catalinarium.

Ia

Sluiten