Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C37)

13.

Hoe was, boe was ons Heldenvolk voorheen ?^ Niet om een herfenfehim gewnapent nog geldonken In gu 1de pantfers, die alleen uit trotschheid blonken; ' 't Kou zonder fteunfel op een tas van lijken ireên; 't Lag naar geen weddrijd a's verzoopen, Men zag 't nog gindsch nog hen\ aards loopen, Geen Ega leedt gebrek door praalzucht van haar' man, Men zorgde t'huis voor brood, elk was in Staats gevaarei, Gereed om al te doen voor haarddeên en altaaren, < Wat ooit de Maatfchappij van braaven vordren kan; De prikkel van de min deedt zelfs ons kloeklijk drijden, Verbasterd nagedacht denk aan die achtbre tijden.

13-

Die zalige Eeuw, die Eeuw van onfchuld vlood, Eerwaards, daar omgekeerd des I'ene's darren drijven, 't Verzengend oog des dags fehuawt onze wanbedrijven, De Nachtvorstin zie: ongevoelig onzen nood; z'Omhult haar throon met vaale wolken, De donder uit de diepe kolken Des afgronds, Hijgt omhoog en dreigt ons fchuküg hoofd: De krijg fchijnrniet genoeg om boozen te verdelgen, Neen barstend fplijt ook de airde om allen in te zWelgca,

De wolken feheuren, van een pestvuur doorgeklooft. Eerg, berg u Nederland. Neen waarom neêr geboogen, Herftel u Templen, dit's de wil van 't Alvermoogea.

Sluiten