Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(99)

men door het pleiten voor de billijkheid dei- verdraagzaamheid, genoeg betoonde dat de kettermakerij-een einde hadt, Uit hoor. mij nog een oogenblik Eerwaardige' Grijsaart (zoo ging hij voort) ik haat alle bedrog; maat vooral 't bedrog waar in men werkt door een misbruikten Godsdienst, en ik fnieede dus een plan, om mij te laaten befuijden en een Renegaat van mijne leer te worden, zoo ik één Wijze vond dié in den Coran geleerd was en mij kon toonen, dat Alahometh een Waarachtig Profeet was geweest , in U meen ik den wijze gevonden te hebben ; of ic-ert men bij U ook'een Godsdienst uit policij waar van het hart niet overreedt is? o'fheophilus! hoe ltond ik verbaast over deeze aanfpraak, hoeveel oprechtheid en waarheidsmin draalde'er in door, en hoe veeJ befchuldigingen moest ik mij zelven over daaperigheid in den Godsdienst maaken: wat zijnde vijf gebeeden die wij' doen?eene Wettifche plicht, die zeldzaam ons hart ontvlamt. — Ik zaj; hem aan en zeide, Eedle Christen (zoo meen ik utiog) ik verlaat mij op uwe trouw, ik zie uwe bezwaareu, ik weet hoe zeer de. Mahometaanen verheugt zijn, Renegaaten te maaken. Mahomet ontzegt hun die tot ons overgaangeen éétüg ampt dat zij niet zouden kunnen (beneeden den throon waar op zijn Kalif zit) bedienen: maar ik bemitr Waarheid eeven als gij; wilt gij tot ons geloof met een rein hart voor God overgaan, overtuigt U dan eerst dat gij reeden hebt den Leer van Mahomet, uwerKerkleere, voor te trek-, ken: o Jongeling! hoor mij, dat Leerduk dat Christus Gods. Zoon zou zijn, is mijn twijiTel ook, en zonder dat was Hg een Christen , hoe zeer ik-van een Emir uit het gedachte Mahomets afdamme ! Jongeling, wees niet ligrvaerdig met het veF*' werpen van 't geloof uwer Vaderen: want in hetgeloove der Mahometaanen .zal' u eene andere gewigtige zwaarigheid oprij-' zen; hoor mij, want ik zie in U fpranken der Wijsheid die> ter zijner tijd. vlammen worden zullen, eens zult gij als Ismaël zijn, Uwe hand ophef en tegens de handen die tegens. V opgebeeven zijn. — ooit wij leeren de onderllijkheid der ziele, draf en belooning na ditleeven: maar, o mijn Vriend.' als gij eens zult wijs zijn, dan zal 't licht van Gods Heiligheid, gemaatigd naar gelang uwer bevattingen, aan de eene zijde u in de oogen draaien : maar gij zult nieunindeboosheeden van uw hart aan de andere zijde ontwaar worden, te vergeefsch zult gij u daaglijks vijftal gebeeden doen : God is telieiüg die op te neemen; gij zult in uwe bcedenvaarten te vergeefsch doen; vergeefsch de put van Hagar, te vergeefsch het g/v?/des Profeets bezoeken, uwe geleigeest, hoe rein, dort te vergeefsch t aanen over u, en zal u aan den boord des grafs verhaten en wie zal u engelen onfchuld, welke om voor God te bedaan vereischt word , meede deelen ? vooral geen Heilig God zelve, dewelke doorUbeleedigt is, en over u toornt — o zink dan! — Waar voor hoopt gij op belooniug? o wagt niet M 2 dan

Sluiten