Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jPHILARCHÉ

o f

Vorsten - vrieNd.

N°. 15.

QPirvoIg van Nb. 14 )

DeR. Keizer. Dat is zoo, maar't moet zich als van zelfs zoodanig ontwikkelen; wat is 't ook noodig dat Machc alles ontrolt, of genieten wij die dingen met minder aangenaamheid , welken anderen, ons in de fchoot werpen door te vreedenheid over onze directie, immers neen; wel nu dan, laat het een uit het ander voortvloeijen, en weest gif verzekert, dat ik geen gelukkiger verfchijnfe! in de Natuur der Staatszaaken kon wenfchen, dan dat verfchijnfel in de Nederlanden ; ja deezen aandaanden Oorlog is deciciver voor mijn Huis dan eenige voorgaande, en fchoon ik geert Liefhebber van Rodomontades ben^ twijffel ik echter niet, of dit kleine beginfel zaf Duitschland Eere aandoen ; ik kan nietalles,zeggen: maar die nieuwe opgekoomene Overzeefche Mogendheid, en de werkelooze aart der Spanjaarden , en do voordeden, welke door zeekere Tripple alliantie voor mij te hoopen zijn, baaren mij nadenken, hoe't zij, mijne Vriendfchap met Rusiand en Venetien, 't geld door mij handel- e» wandelbaar gemaakt, werken alle met meerder zekerheid tot groote gevolgen , dan de aanleg mijner Voorvaderen; maar yeelen willen het Kuiken zien, eer zij het Eij gezien hebben.

De Kamerheer. Nu begin ik mij te verwonderen, dac Uwe Majedeit tot hier toe de Executie van Hoogstdeszelfa voorneemen vertraagt.

De R. Keizer. Ik kon niet haastiger handelen dan ik doe. Zie ik moest uit de gevolgen leeren zien na de Vreede van Engeland en Vrankrijk, wat beiden nog konden doen; Engeland moest ik weer in poduur van tegenweer zien ; ik Sïoest de dispofitie der overige Hoven weeten; lk moest d» p ot-

Sluiten