Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C ï35")

ZÈicte Phileet, tegens elf uuren Heeren zal ik' UI. koele

• vruchten en fijne wijnen doen voordienen, wij hadden elk •eene püp aangedooken, wanneer Phileet de Leerreden van Proff. Gerhardus Kuipers met een aanhangzel over de tegenswoordige oproeren, voor 't licht bragr. 'Zie daar zeide Phileet tegens Eugenius, zie d.iat uwe btfehouwing is gc-

■ heel valsch, 'Proft. Kuipers 'fpreekt, en Wel fep den Pre;dikltoel. God bezorg ons- Böndgenooten en Helpers, in min of meerder trap — het Edelmoedig Frankrijk — 't<wrzachtH/k Pruisfen — 't dapper Zweeden —*■ onverfchrokke Duitfche Hulpn oepen, en Zwitfers, die als vrije Lieden alle geweld trotfeeren. — Voeg hier bij de Stadvastigheid'der Regeerders onzer Souvereine Natie, — en hunne Eendracht in deezen: — wat zegje nu Eufebius? daaf zit gij meedè, Proff. Kuipers heeft dat niet uit oproerige Couranten , neen vast niet, dat heeft hem zekerlijk de een of anderen

'Secretaris van een aanzienelijk Collegie of misleiden een Staatslid zelfs gezegt. —

Theophilus. Zagt wat , het kan ook een gevolg van eene verhitte befchouviing zijn , zijn Hoog Eerw. is weezentlijk een Man van verdiensten in de Oosterfche Taaien, en gij weet dat de Oosterlingen eene zeer warme manier van befchouwen hebben.

Eusebius. Ne futor ultra Crcpidam, dat is, Schoen» maaker hou je bij je leest, alles wat de Prolfesfor zegt, is volftrakt bezijde de waarlieid': want Frankrijk weigert oris bondgenootfehap, ten minsten voor als nog, dit weeteu \vij zeker, dit zien wij met de oogen, dit worden wij gewaar. Pruisfen heeft nooit-aanleiding'er toegegeeven om daar op te hoopen, of fuponeert de Hoogleeraar zulks om 'dat zijne K: Majedeit op alle zijne Memorien blijft dilzitten,-daar héb ik, meen ik, de Heeren de reden van aangetoond, en zijne Majedeit vind die redenen fufficient genoeg om 'er in te berusten. Zweeden , ó! die Koning heeft ons een Collonel Sprengporber gerecommandeerd , en eene hulp moogiijk bellaande in 6000 man, is voor ons geld even als die van de overige Duitfchers en Zwitfers te bekoo» men: maar geen bontgenoot, laat ijder mensch wiens vijf zinnen gezont zijn bedenken of een Koning van Zweeden , behoudens alle achting voor zijn vermoogen in ons blijft, ooit een bondgenootfehap kan aangaan met zoo wijd afgelegene en tot "zijne veiligheid op den Throon , zoo weinig invloed hebbende volkeren, indien hij 'er den haat van Rusland zich door op den hals zou moeten haaien.; behalven dat, moet men zich teffens maar herinneren, wat wij van een bondgenootfehap te hoopen zullen hebben, waarin

* wij

Sluiten