Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38 DE'GR'AAP VA"N RENNENBERG,

Ik heb ook 't recht aan mij, hoe hij 't ook moog' misprijzen' Eene eere aan mij betoond niet finaadlijk af te wijzen. En zo een menschlijk zwak ons treffen moet met fchrik, Wie gaf meer grond tot vrees, uw flerke prins ? of ik ? Mijn zwak is de eerlijkheid, dit zwak doet Nasfau vrcezcn;; Maar zijn niet vreeslijk zwak zien wij flechts de eerzucht wezcr Hoe zwak ik wezen moog', mijne eer Was fteeds mij lief, Daar Nasfaus menschlijk zwak onwettig hem verhief, In fchijn van beter-'t land te torsfehen op den fchouder, In plaats van koning Phlips tot Brabants fledehouder, Daar nooit, vóór Nasfaus prins, die hoog verheven ftand Een' man wierd toegekend dan 't opperhoofd van 't land. Dat dit een waarheid is, durft gij niet tegenfpreken. Door zo veel trots, mijnheer, is Aerfchots trouw bezweken! Niet door de Spaanfche list; en 't is in waarheid vreemd Dat hij die wat hij kan behendig tot zich'neemt, Een' edelman als mij door wantrouw dus durft hoonen, En om een eerbewijs mij durft zijne afgunst toonen. In 't kort, zeg hem, fchoon ik zijn hoog gezag erkenn', Zo hij eerzuchtig is, dat ik gevoelig ben.

r ij h o v e n , met fierheid, opfiaande. Waart gij mij niet bekend voor één' der braaffte mannen, Ik waande u reeds verlokt door Nederlands tirannen, En ondernam dus niet uw dwalend brein te ontflaan Van nevlen,-'uit een' poel van hóoffchen flank ontflaan. Maar de eerzucht, door den rang des prins in hitte ontdoken, Vervult uw dooiend brein met wrevle harsfenfpoken.

Sluiten