Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44 DE GRAAF VAN RENNENBERG,

rennenberg, hem aangrijpende. Blijf, wreedaart^ vrees mijn woede en wanhoop aan te fporen.

van den berg, zich los rukkende. Gij, vrees de wanhoop zelf van haar die u bemint, Als zij op 't eind' door u zich laf bedrogen vind. Gaf Nasfaus zendeling dien zwaai aan uw gedachten, Voor zulk een' wanklen aart moet ieder mensch zich wachten. Dianaas ras vertrek wreek' ftreng op u haar fchand'; Zij zal voor eeuwig gaan.

rennenberg.

ó Liefde! ó Vaderland! Twee panden mij zo waard', moet gij mij wreed doen zuchten? Och! kon ik all' wat leeft, kon ik mij zelv* ontvlugten! ïk voel wat mij betaamt, ik kén, ik hoor mijn' pligt, In weêrwil van de liefde ontfluit die mijn gezigt; Maar aan 't begin des wegs door pligt voor mij verkoren, Komt mij Dianaas beeld in vollen glans te voren, Dreigt mij met haar verlies, en haar te Iterke hand Ontfcheurt mij, met één' ruk, aan 't zuchtend vaderland! Gij Hemel, die door m'j de dwinglandij deed vlugten, JVIoet ik dan zelf, helaas! in 'tfchandlijkst dwangjuk zuchten? Neen! maak 't geen ik bemin zo magtloos in mijn oog, Als die tirannenftoet dien ik 't bewint onttoog.

Einde van het derde bedrijf.

Sluiten