Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 26 )—

laat het kwaad na, omdat hij het niet kent, of uit gebrek aan gelegenheid.

Geheel anders is het gelegen in de gezellige zamenleeving. Bij s'menfchen intrede in dezelve, vordert zijne eigen behoefte, dat hij ook voor anderen zorge: fchielijk ontwikkelt zich in hem het beginfel .van goedwilligheid. Wordt hem eenig goed wenfchelijk, of onöntbeeriijk, welhaast gevoelt hij eene nieuwe aandrift tot werkzaamheid. Hij bevindt zich in de noodzaaklijkheid , om de fpraak te leeren, en door haar zijne kennis aantekweeken ; hij maikt befchouwingen; hecht ze aan elkander; verdeelt ze in zekere vakken; vormt zich een geheu&en, en fielt zich tevens in ftaat, om alle de overige bekwaamheden van zijnen geest te ontwikkelen en te vermeerderen. Elke fchreede op den ladder der befchaaving brengt hem nader tot zijne waarde en tot zijn geluk; hoe naauwer hij de banden der gezelligheid toehaalt , des te meer voldoet hij aan de edele befteraming zijner natuur.

Al het groote, edele en fchoone, welk de mensch immer gedaan heeft en doen kan , is eene vrucht der gezelligheid! Zij was het, die de onafmeetlijke bosfchen, waarin beeren en wolven op roof loerden, met de bijl ter neder hakte en tot gefchikte woonplaatfen vormde. Zij was het, die ontoeganglijke moerasfen, welken niet dan een doodelijk vergif uitwaafemden , in groenende velden herfchiep , in welken' thands overvloed en genoegen heerfchen. Zij verzagtte .het ruuwe ciimaat : zij vervulde bet

noor-

Sluiten