Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 43 )-

Jongeling. „ Gewis, dan zouden wij beftaan, als de boom, die ginder fiaat, zonder het te weten, zonder ons daarover te verheugen. En gij hebt mij, reeds meer dan ééns, gezegd, dat ons grootfte» geluk in dit leeven is, dat wij onze voordeden en volkomenheden kennen , terwijl we ons anderszins niet verheugen, niet grooter trachten te worden, en geene aanfpooring zouden hebben, om ons verder te volmaaken."

Gouverneur. ,, Maar, iemand kfltl echter gelukkig zijn; hij kan ook weten, dat hij gelukkig is, en 'er kunnen echter tijden en gelegenheden zijn, dat zulks hem geen genoegen veroorzaakt.- Laat de zieke , bij voorbeeld, op zijn bed met fmartcn worltelen — zeg hem dan vrij, dat hij Koning is en rnillioenen bezit — zal- hem dit even aangenaam zijn , als wanneer ik zulks aan eenen gezonden herinnere ? "

Jong.' „ Zekerlijk niet. Toen ik laatst de koorts had, kogt mijn Vader mij veel fchoons: maar, ik mogt het zelfs niet eens aanzien, 't Was eerst, na dat ik genezen was, dat ik mij daarover verheugen kon."

Gouv. „ Gij moet dus hieruit leeren , dat men", om vrolijk en vergenoegd te zijn, met zijne gezondheid geenszins den fpot moet drijven. Zonder gezondheid vergenoegd te zijn, is even, of men zonder herfenen denken wilde. Zodra ik ziek ben, zien mijne oogen niets, en ik heb dus geene indrukken: mijn ligchaam is te zwak voor eenig gevoel, en alles, wat rondom mij is, en mij te voren vermaak-

Sluiten