Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 5i )-

onderdrukten geregtigheid , doen wedervaren : —■ v/ordt gij een leeraar der deugd, dan weet gij, hoe gij het behoort aanteleggen , om jonge harten te doen gevoelen: zult gij het ambt van eenen volksprediker bekleeden, dan kunt gij het gewigtig werk op u nemen , om de edele grondleeringen van godsdienst en deugd in de harten uwer Toehoorers te planten — ja, gij moogt worden , wat gij wilt, al ware het Hechts een gefchikt mensch en rnenfchenvriend , zonder u bijzonderlijk aan eenig ambt of beroep te hechten; het zal u nimmer aan de gelegenheid mangelen , om nuttig te worden. Maar zeg mij

eens, waarom toch bleeft gij zo even te rug: waarom waart gij bevreesd, zonder eenig gevaar te zien? Dacht gij ook , dat u eenig onheil wedervaren zoude?"

Jong. „ Ik tveet het zelf niet. Ik was fchriklijk beangst."

Gouv. „ Hij, die op goede wegen wandelt, heeft geene reden tot vrees. Laat ik u eens met korte woorden zeggen, hoe ik bij alle voorkomende gelegenheden van dien aard gewoon ben te redeneeren. Stel eens, dat ik om hulp hoor roepen, zonder dat zich iemand anders aldaar bevindt, die in ftaat is, om hulp te bewijzen; dan bezef ik ten vollen mijne verpligting, om dien bijftan,d te bieden, die in mijn vermogen is. Wat zou ik geweest zijn, zo niet menfchelijke hulp mij tot dien ftaat had opgekweekt, waarin ik mij thands bevinde? Wat zou ik zijn, zo niet Gods toezicht over mij waakte? En zou ik dan ook aan anderen niet dat gene doen, wat in mijn' D a -»er-

Sluiten