Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 76 )-

wordt, voornaamlijk, en in de eerde plaatfe, in aanmerkiage te komen. 'Er zijn ook flaatkundige gebreken, welken het maatfchaplijk geluk eens Volks knotten, waarvan ik in het vervolg wil handelen.

De vermindering des bijgeloofs, en de toenemende verlichting in het gewigtig duk van Godsdienst, verzeld met eene grooter verdraagzaamheid , be hooren, buiten tegenfpraak, tot de voorregten onzer achttiende eeuwe. Schoon ons Nederlands, in deze opzichten, nog zooverre niet gebragt moge hebben, als zommigen onzer Nabuuren , en de heuglijke gevolgen daarvan ook nog niet, in zulk eene maate, als zij, fmaaken moge, moet men nogthands, met dankzegging aan Gods Voorzienigheid, toeftaan, dat ook bij ons, in wedenvil van alle de Itruikelblokken, welken bekrompen zielen telkens in den weg brengen , een geest van verlichting en gemaatigdheid begint te heerfchen en het bijgeloof te verjagen.

Dan, - zoo genegen fehijnt, helaas! het menschdom tot uiterften te wezen! _ ongeloof, en daaruit fpruitende ongodsdienftigheid , fchijnèn bij veelen de plaats van het voormaalige bijgeloof-ingenomen , en zich reeds , van de hoogfte clasfen des Volks tot in de minderen, verfpreid te hebben. Niet alleen in de groote , maar cok in de kleene, Steden, en ten platten Lande, vindt men verfcheiden luiden van allerleien Hand, die of — in den grond niets van den Godsdienst gelooven, of — ten minden, belangende deszelfs gewigtigde waarheden, geheel onzeker en onverfchillig zijn.

Het

Sluiten