Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En nimmer, — kijk —- dit fchiet mij in — Heeft toch de Dood den mensch bedroögen j Wat reden toch, dat ik niet zou? . . . w De Dood is mager; doch getrouw."

Ja, altijd werd hem klinkend geld Geteld;

Want, moest de man des huizes lief ven; Dan zugtte Frans: hier is geen raad,

Da

Een jaar daarna, iloeg in het land De brand

Der pest in veeier ingewanden: Noch jeugd,noch grijsheid werd gefpaard, Paleis en hut — niets bleef' bewaard ,

De Dood poogde alles aanteranden, Waardoor het land, zoo fchoon voorheen,' Nu een ellendig gasthuis fcheen.

Frans bleef intusfchen, al dien flond, Gezond,

En trad, met diepen ernst iu 't wezen,, 'tHuis uit, huis in, en zag, voordaaaV Den Dood aan hoofd- of voet-eind ftaan j

Dus wist hij ieders lot te lezen; Hij profeteerde, en onze Frans Nam toe in rijkdom, roem en glans.

Sluiten