Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•—C 120 )—

door de werking, welke het belagchelijke andersin het vervolg hebben zoude, verhinderd wordt. Hoe dikwijls gebeurt het, dat wij dat gene, waarover wij te voren luidkeels in lagchen zijn uitgebarftcn, na verloop van eenigen tijd , zeer koel , en zonder ons gezicht ecnigzins te vertrekken, aanhooren en opmerken! Dezelfde fcherts, te dikwijls herhaald, vooral door een' man van klcen verftand, of door een' mensch, die voor ons iet onaangenaams heeft, kan ons eindelijk tot eene walging beginnen te (trekken ; zo zelfs , dat wij ons aan die genen ergeren , die nog eenigen fmaak aan zulk eene fcherts kunnen doen blijken. Met opzicht op het gevoel van 't belagchelijke, komt het mede volftrektlijk zeer veel aan op de tegenwoordige gefteldheid van ons ligchaam. 'Er zijn dagen en (tonden, wanneer wij opgeruimder en blijgeestiger zijn, dan anders, zonder dat wij juist in ftaat zijn, om den. genoegzamen grond hiervan in een voorgaand nadenken over aangenaame voorwerpen, en in eene hierdoor veroorzaakte helderheid van onzen geest, met eenige reden , te zoeken. Alle voorwerpen hebben, in zulke vrolijke oogenblikken , welken van onze willekeur niet afhangen , een lagchend aanzien. Onze denkbeelden en voorftellingen volgen elkander dan, met eene ongemeene vaardigheid en te vredenheid; laten alle verdrietlijke voorwerpen, ongemerkt, (til aan haare plaats, en maaken ons genegen , om dat gene zelfs, welk ons anderszins bekommert , van zijne vrolijkfte zijde te befchouwen.

Even

Sluiten