Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 121 )-

Even zoo ook zal ieder een bij .-zich zeiven, meer dan eens, hebben waargenomen, dat wij dikwijls eene aanprikkeling tot lagchen in ons gewaarworden, zonder dat wij eigenlijk in (laat zijn, om de waare oorzaak daarvan te bepaalen; inzonderheid, daar deze neiging dikwerf zoo fnel, als een btikzem, verdwijnt. Waarfchijnlijk waren het eenige donkere voorftcllingen, en vertegenwoordigingen van zekere belagchelijke voorvallen onzes leevens, welken de ziel fchielijk voorbijvloogen; gelijk ook vaak aan ons in den flaap gebeurt , 'waardoor deze neiging tot lagchen een oogenblik in ons verwekt word. Dus lagcht men gemeenlijk, wanneer men anderen ziet lagchen, zonder dat men zelf daarvan de reden weet; of ook, wanneer 'er ia een luidruchtig gezelfchap op eenmaal eene ftaatelijke ftilte ontltaat. Verfcheideu van mijne goede vrienden hebben mij verzekerd, dat zij, wanneer 'er op éénmaal zulk eene ftilte ontftaat, gemeenlijk veel werks hebben, om niet, geduurende het gebed aan tafel, hard over luid te lagchen, en dat zij, in hunne kindfche jaaren, menigtnaalen vergeefsch door hunne ouderen zijn getuchtigd geworden, omdat zij zich voillrektelijk niet van lagchen konden onthouden.

Maar alleröngemeenst en zonderlingst fehijnt ons die neiging tot lagchen te wezen, welke fommige menfehen , waaronder ook erasthafuge perfoonen zijn , welken men gewis geene ligtzinnigheid kan aantijgen, juist op zulk eenen tijd, in zich gewaarworden , wanneer andere menfehen hun een verhaal doen van hun te voren ondergaan, of nog tegenH 5 woor-

Sluiten