Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 12a )—

woordig, lijden. Het is ons altijd niet even gemaklijk , om ons terflond iu de plaatfe van eenen ellendigen te zetten, die ons zijn lijden klaagt, en natuurlijker wijze wil, dat wij even fpoedig daaraan deel nemen. V/ij kunnen dikwijls, juist op dien tijd, wanneer wij zulk eenen ougelukkigen ontmoeten, in eenen te vrolijken luim zijn, om ons zo fpoedig in'eenen anderen luim, hoedanig zulk eenen lijder aangenaam is, te verzetten. Ook kunnen wij geene genoegzaame betrekking op den lijder hebben: of hij kan maar al te veel fchuld hebben aan zijn eigen ongeluk: of zijn'klaagtoon, en de wijs, op welke hij zich uitdrukt, kan ongevallig en wanvoeglijk zijn: of hij kan driften en aandoeningen verraaden , welken met onze zedenlijke begrippen kwaalijk voegen: of wij kunnen het grootfte deel van zijne rampen voor ingebeeldde kwaaien houden. Deze en dergelijke omftandigheden meer kunnen te zamen lopen , om ons medelijden terug te houden, of ons zelfs ecae zekere onverfchilligheid, omtrend den lijder, inteboezemen. — Ondertusfchen fehijnt onze natuur (mag ik mij dus uitdrukken?) ons een' onvoegzaamen trek te fpelen, wanneer zij ons dan eenen lagch wil afdwingen, wanneer anderen een' medelijdenden indruk op ons hart moesten maaken. Verfcheiden geloofbaare luiden hebben mij verzekerd, dat zij zich dikwijls gedwongen zien, om hun gezicht van klaagende menfehen aftewenden, of zich fchielijk op de tong te bijten , en daardoor fmart te veröorzaaken, om niet luidkeels in lagtken uittebarsten; of zich fpoedig van eene of andere

alt"

Sluiten