Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

~C 134 >-

gewoond heeft,- men zal, zo men eenige geheugenis daarvan drargt , en 'er , zederd een aantal van jaaren, tusfehen beiden, niet weder geweest is, de huizen, deuren , en dergelijke voorwerpen , veel kkener vinden , dan men dezelven, in zijne kindsheid, vond; ten blijke, dat kinders , die de voorwerpen naar hun eigen ligchaam afmeten, dezelven ook veel grooter vinden , dan volwasfen menfehen.

3. Wanneer de kinders opwasfen en grooter worden, verkleenen zich de voorftellingen van zaaken, welke hun te voren zoo groot voorkwamen , wederom allengskens. Ook dit is een gevolg der eerfte aanmerking ; en van hier is het, dat een jongling, van twaalf jaaren, voorwerpen , welken hij, zederd zijn vijfde of zesde jaar, niet gezien heeft, zoo groot niet meer zal vinden. als hij ze toenmaals vond.

4. De voorftellingen van zaaken verkleenen zich, zelfs in het aandenken derzelven. Dit bdjkt, dewijl wij anders, bij de herinnering van ligchaamlijke voorwerpen,, welken ons in onze kindsheid omringden, altijd beelden van eene reuzengeftalte, althands van eene ovc-ftaltige grootte , voor den geest zouden hebben; Gewoonlijk'echter verkleenen zich de Voorftellingen van voorwerpen , in de herinnering , niet zoo fterk, dat dezelven aan de voorwerpen geè'venredigd worden: anderszins zoude men, naderhand, de voorwerpen der kindsheid op nieuw ziende , zich onmooglijk over derzelver kleenheid kunnen verwonderen.

5. Kleene voorwerpen hechten, veel meer dan groote, op de zielen der kinderen. Grooten befchou-

wen

Sluiten