Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C I6b )-

kenen, als in het andere. Laat ons deze voorwerpen

een weinig nader befchouwen. Ongetwijfeld behoort het tot de vrouwelijke be-

jtemming , dat zij haaren Man behaagen , en zijne

genegenheid door gevalligheid en bekooring moet trachter. te behouden. Hierin zijn wij allen het eens — van de grootfte coquette tot den geftreugften wijsgeer. Dat nu ligchaamlijke fchoonheid, bevallige zeden en eene nette kleeding onder de middelen behooren, om te behaagen; dat dezelven waarlijk eenen hoogen trap van bekooring bezitten, zoude zelfs, naar ik gis, de zonderlinge wijsgeer Diogenes niet hebben kunnen Ioogchenen. Zij zijn dus in zo verre geenszins te verachten, maar verdienen, integendeel , dat een jong Meisje zich daaraan veel late gelegen liggen, en zich dezelven trachte eigen te maaken.

„ Zich eigen trachte te maaken?" zullen mooglijk eenigen uwer Sexe met verwondering vraagen. „ Zijn dan fchoonheid en ligchaamlijke bevalligheid geene gefchenken der natuur, welk zij aan de eene geeft, aan de andere weigert? Hoe .zoude men dezen door eigen poogingen kunnen verkrijgen?" — Laat ik u hieromtrend, mijn Kind, eenige nadere onderrichtingen mogen mededeelen.

'Er beftaat tweeërleie zoort van fchoonheid; eene, welke, geheel alleen, het werk en een vrij gefchenk der natuur is; doch ook eene, welker bezit louter van ons zeiven afhangt, 't Is tegenwoordig reeds genoegzaam beweezen, dat het ligchaam, zo wel ten aanzien van zijne ganfche uitwendige gedaante, over

het

Sluiten