Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 167 )-

ai: van dit gevaarlijk gefchenk der natuur geen voorwerp van uwe wenfchen behoef: te wezen. Het doodelijk vergif der vleierij is, helaas! zo zoet! Het dringt zo ongevoelig door oogen en oorcn, en zo diep tot ieder teder hart in, welk voor de vriendfchap gevormd is! Het fchoone Meisje fnelt zulks zonder ophouden tegen, zelfs uit de ftomme biikken haarer bewonderaars; zelfs uit het gelaat van haare, door nijd verteerdde, Zusters! Geloof mij, mijn' lieve Dochter, 'er behoort waarlijk eene zeldzaame fterkte van ziel, een ongemeen verftand en eene door en door beproefde en hebbelijke deugd toe, om het gevaar van zedenlijk bederf zelfs dan nog te boven te flreeven, wanneer men het reeds honderd maaien gelukkig heeft doorgeworfteld. Daarom nog eens: verlang nimmer, mijn' Dochter, naar zulk een gevaarlijk gefchenk der natuur, en benijd het noit aan haar, die zulks in eene grooter maate hebben ontvangen, terwijl gij u ten vollen overtuigd kunt houden, dat het u, ter bereiking uwer geheele beftemming, wel hinderlijk, doch zeer zelden bevorderlijk zal zijn.

Wat nu de befchaafde manieren eu zeden en de bekoorende vrouwelijke kleeding betreft; ook ten dezen aanzien kan ik de vraag, ,, of daarin iet verdienftelijks gelegen zij , welk de waarde eener Vrouw, met opzicht tot haare beftemming , verheffen kan?" — even weinig met ja, als met nee», beandwoorden: doch wij moeten hierbij eerst vooraf weten, welk denkbeeld aan deze woorden moet gehecht worden.

L 4 Ver-

Sluiten