Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

~( i'S )-

tijdelijk geluk in rijkdom, aanzien, eerambten , gemak of uitfpanningen beftaat; maar is dit indedaad zoo ? Blijft bij dit alles niet een verveelend ijdel in onze ziel over, welk een bronwel is van verdriet en zelfsbeklag? Vraag het den grooten, den rijken, den ffaatsman, den wellusteling, in vermaaken verzonken: allen zullen uit ééhen mond klaagen over rampen , die wij nimmer vermoeden zouden , dat de hunnen waren. Het waar geluk beftaat itt de bewustheid, van onzen plicht gedaan te hebben, in die tevredenheid onzer ziele, welke ons verheft, ons groot maakt. In 't midden zelfs der, zoogenaamde, vernedering overtuigd, dat wij den kring onzer beftemming vervullen , zo veel in ons vermogen is, moet onze boezem doorftroomd worden met de verhevenfte , edelfte en duurzaamfte genoegens: de ziel verkrijgt opgehelderde begrippen ; haare dankbeelden worden gezuiverd en uitgebreid; wij zul en het waar geluk fmaaken, da; de eerstgemelden niet bezitten kunnen, en nimmer zullen wij, uit het gemis van aardfche en vluchtig voorbijgaande voordeden, befluitcn , dit God ons geluk niet wil, en daarom de waereld tot eene rampyoeftijn vormde.

God is hoogstzalig: Hij behoefde geene fchepzelen voordtebrengen, om zijne gelukzaligheid te vergrooten; Hij befloot, echter, menfehen te doen gebooren worden, en hen in zulke omftandigheden te plaatzen, dat het verkieslijker voor hun ware, te beflaan, dan niet te beftaan. Daar zijn aanwezen eeuwig is, moet ook zijne liefde voor het gewrocht zijner fcheppende Almagt zich in het oneindige uitM 4. ftrek-

Sluiten