Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 2»S )—

trokken hem aan zijn choor-kleed, om door den goeden Man eens vriendelijk te worden toegelagchen. — Zijn toegenegen lagch was het kenmerk der vuurige tederheid eens vaders ; hunne welvaart verftrekte hem tot blijdfehap; — hunne zorgen baarden hem bekommering ; zijn hart , zijne liefde , zijn lijden — alles was aan hun toegewijd ; maar zijne ernfüge gedachten waren op den Hemel gericht. — Gelijk een hooge berg —- welks achtbaare top zich tot aan de wolken verheft — uit het dal oprijst, en den ftorm trotzeert, zo rustte ook op zijn hoofd, 'fchoon hem van alle kanten loeiende onweersbuien omringden, een eeuwige zonnefchijn.

Naast gindfche , vernielde haag , welke langs den weg heenen loopt, en vruchtloos met bloeiende brem is verfierd — daar hield de Schoolmeester van het dorp — een man, ervaren in de konst van regeeren — in zijne rustelooze wooning, zijne kleene fchool. Hij was een geftreng man, en had een deftig uitzicht. — Ik heb hem wel gekend ... en ieder kleene luiaard wist, wie hij was. — De vreesachtige fchoolieren hadden geleerd, om reeds 's morgens uit zijn gezicht te lezen, of hun ook dien dag onweersbuien te wachten ftonden : — zij lagchten met eene gemaakte vrolijkheid over zijne kortswijl, van welke hij een liefhebber was, en fluifterden elkanderen zeer behendig de verfchriklijke maare in het rond, wanneer hij zijn voorhoofd fronste. — Met dat alles was hij een lief man ; en, zo hij , nu en dan, al een weinigje fcherp was, moest dit aan zijne zucht voor kennis en orde worden toegefchree-

ven. —

Sluiten