Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C «xe )-

Ach! neen, in afgelegen hemel■ flreeken — ö vei» ffchriklijk tooneel! — waar zij van de helft dea aardbols gefcheiden zijn — in deze afgrijzelijke gewesten , wandelen zij met matte fchreeden , door verzengde landftreeken , waar zij de woedende Jiltama, tot hunne grievende fmart, hooren ruifchen. — Ach! welk een verbaazend onderfcheid tusfehen de ontelbaare verfchrikkingen van deze allerijzelijkfte kust , en alle de bekoorlijke tooneelere van voorige tijden! De brandende zon, welke haare *raalen lijnrecht nederfchiet , en mededogenloos de ondraaglijke hitte van den dag uitftort; — de verwilderde bosfehen , waar de vogels hunnen zang vergeten, en domme vledermuizen , in eenen ffirfti penden klomp, aan eikanderen hangen; — de vergiftigde velden, met weelderig groeiend onkruid bedekt, waar de zich fchuilhoudende Scorpioen, van alle kanten, den dood rondom zich verfpreidt; waar 'de wandelaar, van angst klappertandende, door iederen tred, de moordgierige Slang vreest te wekken; waar de gluipende Tijger op zijnen prooi loert, en met hem de Wilden, die nog bloeddorftiger, dan hij, zijn; terwijl de woedende oceaan zijne golven verheft , en de overgebleeven wrakken van het verwoestte Kasteel tot aan de wolken voert! — Hoe veel verfchilt dit alles van de vorige tooneelen — van de verkoelende beek, de met gras overdekte beemd, het aangenaam en vervrolijkend lommer des wonds, waar zich het gezang der vogelen onophoudelijk liet hooren, en het gene niets verborgen hield, ésn het heimiijk genot der fchuldelooze liefde.

Coe-

Sluiten