Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—( 212 )—

Gade, met alle bedaarde kloekmoedigheid, haar in haare fmart poogde te troosten.

O Weelde ! vervloekt door het raadsbefluit des Hemels — hoe ongelukkig hebt gij tooneelen, als dezen, veranderd! Met welk eene verraaderlijke blijdfehap ftort gij uit uwen kelk het genoegen, alleen met oogmerk, om te verderven! — Koningrijken, welken door U eene zwakke grootheid bereikten, praaien met eene bloeiende fterkte, welke hun niet eigen is. Door iederen teug uit uwen beker worden lij langs hoe grooter, en zwoegen zorgeloos naar den zwellenden klomp des overvloeds; en wanneer hunne fterkte ondermijnd, en ieder deel verzwakt is, dan ftorten zij in de laagte neder , en verfpreiden hunne rampzalige overblijfzels rondom zich henen.

Juist in dier voege begon de verwoefting, en het ■Werk der vernieling is reeds half volbragt! —Juist op dit oogenblik, dunkt mij — terwijl ik in diepe gedachten ben verzonken — zie ik de zuivere en oprechte deugden het land verlaten: — daar, waar het ankerend fchip zfne 'zeilen uitzet, welken bij ieder zugtje van den wind te 'vergeefsch flodderen; daar zakken zij af . . . een droevige tocht! — vaaren langs den oever, en bedekken het ganfche ftrancf. — Gij, noeste vlijt en gulle gastvrijheid; — gij, zagte tederheid des huwelijks; — gij, godsvrucht, die uwe wenfehen hemelwaards zendt; — gij , ftandvastige getrouwheid en opregte liefde; — en gij, verrukkelijke Dichtkonst , beminlijkst Meisje , altijd het eerst op de vlucht, wanneer zinnelijke wellust zich indringt, té onvermogend , om', in deze verbasterde

tij-

Sluiten