Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 265 >

ten deele, ongefchikt maakt, om onzen plicht te vervullen.

V. Ik erken, mijn Vriend , de juistheid uwer aanmerking; maar zij bewijst geenszins, het gene gij hier bewijzen moest. Verre van daaruit te kunnen afleiden, dat het medelijden, over het geheel genomen, ontbeerlijk of fchaadelijk is, volgt 'er alleen uit, dat flechts eene overmaat, of eene ongepaste uitoefening van mededogen, ons in de vervulling onzer plichten verhindert, en daardoor fchaadelijk kan worden. Wie nu zal dit loogchenen? Of wie beveelt ons, dat wij deze fpringveer in de zielen der jonge Lieden zoo fterk zullen fpannen, dat het verftand en elke andere zielsbekwaamheid daardoor moet overweldigd worden ? Laat ons ook hierin paal en perk Hellen, zo als in alle andere Hukken, die de verftandelijke en zedelijke opvoeding betreffen: laat ons, bij de beoefening der medelijdende gewaarwordingen, welke wij met onze Kweekelingen aanvangen, even als in alle andere onderrichtingen, zo veel mooglijk zorgen, dat het nodig evenwicht tusfehen hunne zielsvermogens in ftand blijve, en ook dan zullen wij nimmer eenige nadeelige gevolgen hebben te duchten. Het verftand van zulk een zorgvuldig opgevoed mensch zal ten allen tijde fterk genoeg zijn, om het medelijden te beheerfchen, hetzelve binnen zijne behoorlijke paaien te houden, en daar, waar het ongepast zijn zoude , zo niet geheel te verflikken, ten minffen onfchaadelijk te maaken.

K.

Sluiten