Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C £;o )—

ieder zich noodwendig alken op zijne eigen krachten, op zijn eigen doorzicht, op zijnen eigen moed verlaten moest, en nimmer op eens anders bijftand konde vertrouwen.

V. De goede Hemel behoede ons, dat de Menfchenkinderen deze maate van eigen werkzaamheid en kracht immer verkrijgen mogen!

KJ En waarom?

V. Vraagt gij dit nog? — Omdat, indien de een den ander niet meer nodig had, ook de een zich wegens den ander' niet langer zoude bekommeren.

K. En welke fchaade zoude daarin gelegen zijn?

V. Behoef ik dit wel eens te noemen? — Zouden wij dan niet ophouden, Menschen te zijn? — Zouden wij dan geene Elephauten — neen — zouden wij dan geene Crocodilen of Haaien worden, die elkander met geen ander oogmerk zouden naderen, dan om te verfcheuren? Zoude dan niet de edelfte en rijkfte bron van menfchelijk — ik meen het gezellig — genoegen gnnsch en al verdopt? Zoude niet elke wijze van verdandelijke en zedenlijke opvoeding op éénmaal vernietigd worden ? Zoude niet — maar, waartoe eene verdere ontleeding van een onheil, dat nimmer te duchten is? De algeheele inrichting der menfchelijke natuur geeft ons genoegzaame verzekering , dat het nimmer zo verre met ons komeu zal; — dat wij nimmer geheel zullen ophouden, gezellig, en dus ook deelnemende, medelijdende en behulpzaam te wezen.

Wat nu uwe Bedelaars betreft; ik geve u ten vollen gelijk, dat een groot gedeelte derzelven het be-

ftaan

Sluiten