Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

, —C 355 )—

•nze oogen lieenenwenden , overal vinden wij fpooren van een onzalig verderf, welk alömrne meer en meer verwoesting dreigt. Overal ontmoeten wij ongelukkigen, die ons mededogen dubbel verdienen; te meer,daar zeer veelen hunner, thands onder een jammerlijk lijden zugtende , gansch en al ongelukkig zijn., buiten hunne fchald.

Bij zodanige gefteldheid van zaken , is een enkel aanfchouwen niet genoeg. 'Er wordt eene verdubbelde maate van oplettendheid; 'cr wordt kracht, weikzaamheid en moed vereischï , om het geduchtte kwaad, zo niet daadelijk afteweeren , ten minften voor den lijder draaglijk te maaken. De troost zelfs, die gelegen is in het vooruitzicht van een'zaliger verblijf, na dit leeven, waarin de fmarten van dit aardfche telkens door eene reeks van nieuwe aanleidigen tot edeler genoegens zouden vervangen worden; deez' troost zoude bij den ellendigen zijne kracht verliezen, zo niet, reeds hier, zijne wonde verzagt wierd, en hij in zijnen natuurgenoot een wezen ontmoette , welks meêwaarig gevoel hem wegens het vooruitzicht van een toekomftig heil verzekerde. — Zoude nu de verftandige, de braave man, de regtfchapen waereldburger, in dezen gemengden ftaat der dingen, zijn hart toefluiten , en zich.de zaak zijner Broederen niet aantrekken , ten einde daardoor zijne eigen rust niet teftooren? Zoude hij Zijne oogen fluiten en zijne ooren toeftoppen, om geene ellende te zien, geen jammergefchrei te hooren? — Weg met zulk een denkbeeld ? — Reden en Godsdienst overtuigen hem van het tegendeel, ■ 7> 5 Zij-

Sluiten