Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*C 263 >-

kiug tot zijnen eeuwigen en weldaadi?en Schepperskan hij de hooge waarde zijner voortreflijke nituü* ■ én den aard der plichten, wtlken hij 0p aa de té betrachten heeft, het best bereekenen ; door dit bezef geleid, is hij in ftaat, om het waare onderfeheii tenmk n tusfehen wezenlijkheid en fchijn, waar^ heid en va'sheid, deugd en ondeugd. Door den godsdienst verheft zich zijne ziel, als 'I ware, boven de aarde, zonder zich echter geheel te ontdaan vart die banden, met welken hi, aan haar verbonden ishl] (maakt het waare genoegen in de goedkeuring van z.jn eigen hart, en in die van den Schepperdaardoor is hi] heiland tegen allerle.e wisfelvailigheden, en, daar hij dezelven als middelen heeft leeren gebruiken tot eene grooter volmaaking, verfterkt hij zich meer|en meer in eene ftandvastige plichtsbetrachting , met het bekoorend vooruitzicht van eene zaliger ftandverwisfeling na dit leeven.

Hoe veel zedenlijk kwaad 'er dan ook, behalve het natuurkundige , welk ons dikwerf buiten ons toedoen, en f gelijk men zegt> bij toeval treffen kan in de waereld plaats hebbe; hoe zeer dat zedenlijk kwaad telken reize , op nieuw, de bron van natuurkundig kwaad worde; - hij echter zal in dit ondermaanfche verblijf gelukkig zijn, die zich, door aanwending der zo even genoemde middelen, de waare fterkte van geest heeft eigen gemaakt: - die fterkte van geest, welke reeds door de oude Stoieijnen, met zo veel nadruk, is aangepreezen.

Men legt, 't is waar, dezen Wijsgeeren te last, dat zij ongevoelige menfehen waren, die zich de

• ILD.IV.S. A,

a * ram-

Sluiten