Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 415 >-

men zoude eene buitengemeene verhardde ziel moéten bezitten, om geheel ongevoelig te wezen over de fmarten van zijnen eveninensch, hoe ondeugend hij pok zijn moge!

Ariston. Gij fpreekt wel, TiieSge's. Maar moeten wij uit dit alles niet befluiten, dat het onbetaamlijk zij, dat de Regter, gelijk aan den Gastheer, die zich vertoornt , in het ftraffeh van misdrijven, zich niet weet te maatigen en intetoomen, en hij zelf wreed genoeg zij, om de wreedheid van eenen kwaaddoener te ftraffen?

Theages. Dit alles kan ik ü nog gereedelijk toeHemmen, Ariston; maar, even als buitengewoone gevallen ook buitengewoone voorzieningen vereifchen, zoo vorderen ook bijzondere misdrijven buitengewoone ftraffen, en het komt mij voor, dat de Staat zich heden in dit geval bevonden heeft.

Ariston. Verklaaru duidelijker, TheSges.

TheSges. Gij weet, dat de menigte van ftruikrovers, die in onze oorden zwerven, dagelijks talrijker en geduchter wordt; indien men haar langer laat aangroeien, is zij eerlang onwederftaanbaar, gelijk een vloed, die uit zijne oevers breekt en onze landerijen overftroomt, zo dikwijls hij door ftortregens zwelt. Geen dag gaat 'er voorbij, of men hoort van een' nieuwen moord fpreken; onze Stad zelve is niet veilig! Hebben zij onlangs de, op hen afgezonden, krijgsmagt niet geflagen en terug gedrecven?

Ariston. Die gebeurdnis, TheSces, bewijst even min de goede handelwijze van onzen Raad, als de dapperheid van ons krijgsvolk. Indien de Dd 3 eer-

Sluiten