Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 44* 3-

Zit ik bij dwaaze Kaereis, Die op hunn' paarden ftoffen, Als waren 't hunne fchepzels; Die ' op hun zuipen fnoeven , Als waar' de wijn gefchapen Voor hunn' verhitte keelen ; Die van hunn' kleêren praaten, Als ongehuuwde Meisjes ; Die afgefleeten loopjes Voor geestigheden venten ; Wien dubbelzinnigheden Uit vuige monden ftroomeu, Bezwadderd met den modder Van beestelijke onkuisheid: Zit ik bij duistre Feemlaars, Die flechts de Boekzaal lezen, Steeds van hunn' Herders praaten, En van verdooldde Schaapen; Dan zit gij aan mijn' zijde, ó lastige Verveeling! 'k Staa u daar toetegeeuwen. Help, help mij ook aan 't geeuwen, En geeuw, tot dat ik flaapel

Zit

Sluiten