Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'C 495 )-

Zins van haare eerfte inrichting af, daar de Vorftin , bij de gewigtigfte haarer huwelijks plichten , bij de voordbrenging van haare Kinderen , dezelfde, ia zelfs grooter, moeilijkheden en fmarten moet uitftaan , dan de Vrouw van den armften Daglooner, al zugtende,'behoeft te lijden. Maar , moet dan de Vrouw van aanzien en vermogen diezelfde bezigheden waarnemen, tot welker verrichting de arme Vrouw door behoeftigheid genoodzaakt wordt? Zoude zij al dat zwaare, en ten deele morfig werk, op zich moeten nemen, welk de minvermogendein haar huishouden,

of in het beroep van haaren Man, verricht? Wie

zal niet oogenbliklijk het dwaaze van zulk eenen eisch gevoelen! De hoofdplicht van eene gehuuwde Vrouw is, naar mijn gevoelen, in de volgende drie ftukken gelegen:

Voor eerst, dat zij de getrouwe hulp van haar' Man zij.

Ten tweeden , dat zij Kinderen voordbrenge en zorgvuldig opvoede.

Ten derden, dat zij het welzijn van haar huishouden in alle opzichten behartige.

Deze grondwetten des huwelijks moeten naar den onderfcheiden kring , waarin de Echtgenooten leeven, beoefend worden, en het onderfcheid der vrouwelijke bezigheden beftaat eigenlijk alleen in de wijze, op welke deze plichten hunne vervulling erlangen, terwijl elke Vrouw ditzelfde eenpaarig doelwit alzoo moet trachten te bereiken , als de omftandigheden toelaten, in welken zij zich geplaatst ziet. Wanneer dus de Vrouw van den Ambagtsman haaren

II.D.V.S. Kk Man.

Sluiten