Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-f 51° )-

én wat zal men van de Handelwijze zeggen, welke heden, in befchaafder eeuwe, nog plaats heeft, om zulken, die door dolle honden gebeeten zijn, te verfmooren, of op eene andere wijze om 't leeven te brengen? — Helt dit niet veel naar de Spartaanfcke woestheid over; te meer, daar men heden genoegzaatne middelen bij de hand heeft, om de jammerlijke gevolgen van dit euvel te vóórkomen ; doch al ware dit zo niet, zoude men dan nog niet kunnen vraagen: zijn 'er niet meer ziekten, welke ongeneeslijk zijn , en wie 'geeft den Arts , in het eene geval, meer recht, dan in het andere, om zijne lijders vroeger uit de waereld te helpen, dan de natuur vereischt? Moeten wij dan niet, veeleer, met genoegen , dan afkeer, het gedrag der Wilden befchouwen , die hunne Ouders, ten einde hen voor de onheilen der grijsheid te beveiligen, laten dood hongeren ?

De plicht eens Geneesheers is, te herftellen, waar hij kan, of ten minften, de toevallen te verzagten, en daardoor voor den lijder draaglijker te maaken,

,bij befmettelijke zieken, alle voorbehoedings middelen aantewenden, en de befmetten van de gezonden aftezonderen, ten einde het gif der befmetting niet tot allen overgaa; — maar geenszins heeft hij het recht, om, ter bevordering van dit oogmerk, de zieken dood te flaan.

Een Geneesheer, die verftandig te werk gaat, zal • niet alleen de toevallen der ziekte tegengaan; maar tevens de oorzaak der kwaal opfpooren; dezelve aantasten, en zo mogelijk, overwinnen; overtuigd

Tan

Sluiten