Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII.

GELUKZALIGHEID.

ie kan mij zeggen , waar de Gelukzaligheid woont? Ik heb reeds lang gezworven, om haar te zoeken : — maar haare woonplaats vind ik niet."

Dit riep ik eens : en ftraks flond eene vrouwelijke gedaante voor mij , in alle haare fchoonheid ; rijzig van geftalte; vlug en fmagtende van liefde, zij was de dierlijke wellust.

„ Volg mij, Jongeling!" fprak zij: ik zal u bij de Gelukzaligheid brengen." Zij leidde mij in haaren lusthof, die Vol was van de lieffelijklïe vruchten.

Zij gaf mij eenen beker te drinken, die gevuld was uit den ftroom der vreugde, welke door haaren Hof loopt. Ik zag eene ontelbaare fchaare van Menfehen , die aan zijnen oever wandelden, om van het water dezes ftrooms te kunnen drinken ; maar het water lesclite hunnen dorst niet. Hoe meer zij dronken, hoe meer zij wilden drinken. Hunne vreugde was , als de tuimelende vreugde der dronkenfchap. Ook was het water niet zuiver. Digt aan den Hof der wellust, grenst eene woestenij. In het midden van dezelve, ligt eene meir vol vergiftige

Sluiten