Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

, XIII.

B E

EENZAAMHEID.

(Eerfte Zang.)

_^^.an u, 6 Eenzaamheid, aan u wijde ik mijn ticil:

8' Treurig - donkre nacht! verfmaa mijn klaagtoon niet;

Mijne afgematte ziel zoekt , in uw' fchcmeringen,

De rust, vergcefsch gezogt door alle ftcrvclingcn.

Zij zoekt haar — de ijdelhcên, het aardfche fchiinfehoon moê.

U zing ik, en het woud hoort mij ftilzwijgend toe:

Hier , waar ik aan het leed geheel mij overgeeve ,

Verdubble zich de nacht ; geen fuislend windje zweeve;

Een' heiige ftilte heerfche : — een' diepe fiddring roert

Het diep verfchrikte dal , waarin geen woud - god loert ;

De Nimfen dezes wouds vliên, fchrikkend, voor mij heenen:

Mijn lied zal de Echo zelv', door mijn gefchrei, doen weenen;

Omvang me , o heilig loof, daar 'k in uwv fchaduw zing:

Dat mijne bittre fmart het diepst des wouds doordring:

Gij , Eenzaamheid-alleen, zult mijne klaagltem hooren:

'k Wil, in uw fchoot, mijn woede en bittre traanen fmooren:

Welligt neemt dan mijn fmart, mijn diepe jammer, af.

Gezegende Eenzaamheid ! o evenbeeld van 't Graf!

De ziel kan, in uw fchoot, zich zelve weder vinden,

Sluiten