Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 555 )—

en geacht te worden, is één dier weldadige beginzelen, welken de alwijze Schepper zelf, tot de allergewigtigfte bedoelingen, den Sterveling diep in het harte gelegd heeft, en welk voor hem één der fterkfte fpoorflagen is ter betrachtinge z^ner plichten. Maar helaas! niet dan te dikwerf, overdrijft de Mensch ook dit edel beginzel, of fielt hetzelve boven anderen , die nog heiliger zijn, en nog meer bij hem in aanmerking verdienden genomen te worden!

Gelijk deze begeerte, behoorlijk geregeld, ons veradelt, zo maakt ons dezelve, wanneer zij buitenfpoorig is, verachtelijk, en is eene der hoofdbronnen van het charakter der genen, die alles verachten. De eigenliefde werkt bij den Mensch , die nimmer da moeite nam, om zich zeiven te leeren kennen, en de gebreken van zijn charakter uittezuiveren, welken hij door opvoeding en omgang heeft aangetrokken, zeer ongeregeld. In plaatfe van de meerdere verdienden van anderen te erkennen, en de ernftigfte poogingen aantewenden, om aan die fchitterende beelden gelijkvormig te worden , zoekt hij, zo veel hij kan, dien glans te verduifteren, welken zijn eigenlievend oog onmooglijk verdragen kan. Hij wil alleen de groote man zijn, die wel fpreken, fijn denken, vernuftig fchrijven, fraai opzeggen, net werken kan; althands boven zich kan hij niemand dulden. Ter bereikinge van dit oogmerk, moet hij al het gene van een' ander* komt, verachten en bedillen. Hierdoor verheft hij zich, meent hij, boven hem, en toont meerdere kennis van zaaken te hebben, dan hij. OnverrSogend dikwijls, om zelf iet goeds te leveren, beftaat al Oo 3 zijne

Sluiten