Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 557 )—

hebben, weigeren zij, uwen lof aantenemen. Doch, zij weigeren dit niet uit zedigheid, maar alleenlijk uit eene heimlijke begeerte naar meerderen, naar dubbelen lof. Gij moet weten, dat zij niet flechts zoo fchrauder, of zoo bekwaam zijn; maar daarenboven moet gij hen in hunne zedigheid en nederigheid kennen. Men vindt 'er zelfs, die zich zeiven geweldig verachten, en (gelijk men zegt) verre wegfmijten; met geen ander oogmerk > dan om u groote denkbeelden inteboezemen, aangaande hunne zedigheid. Ik heb dikwijls Leeraars en Hoogleer-aars aan hunne Toehoorers de fterkfte verzekeringen hooreh doen , dat zij onbekwaam warén , om hunne ambten waartenemen; terwijl ik bij mij zei ven dacht: „Man, zo gij waarheid fpreekt, hadt gij beter gedaan, uwen post niet aantenemen; en, zo gij mij wilt doen gelooven, dat gij nederig zijt, mist ge uw oogmerk!'* Het algemeen verachten van anderen kan -nóg uit een ander beginzel voordvloeijen ; naameli k , uit nijd. Men vindt 'er, die uit hunnen aard wangunltig zijn omtrend alle menfehen, en niets goeds van hun hooren kunnen, zonder dien onzahgen hartstogt te gevoelen. Dezen te bevredigen , is hun grootst genoegen , en daarom laten zij niet na, zo dikwijls de gelegenheid zich aanbiedt, anderen te verachten. Ik beken, dat de kwaalijk beftuurde eigenliefde hierin mênigmaalen de hoofdrol fpeelt. Althands dit fehijnt de zwakheid der Vrouwen te wezen, die niet verdragenkunnen , dat mende fchoonheid, de bevalligheid, of de huishoudenlijke kunde var. andere Vrouwen roemt. Maar buiten het gevoel van eigenliefde, krf:i O o 4 ik

Sluiten