Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-f 558 )-

ik niet ontveinzen, te gelooven, dat 'er zommige Menfehen gevonden worden, die zich door nijdigheid laten regeeren, en hunnen Naasten alles kwaads gunnen. Ik wil gaarne toeftemmen, dat het getal der zodanigen niet zoo groot is, alt eenigen voorwenden : maar beweer flechts, dat 'er zoramigen van dit charakter beftaan. Mogelijk zijn dezen, in hunne jeugd, door hunne Ouders en Opvoeders, zeer flegt behandeld, en vervolgends door kwaad gezelfchap langer zo meer bedorven: of misfehien hebben zij van anderen veel geleeden, en willen zich, op deze wijze, aan de waereld wreeken. Hoe dit zij, zij verachten alles; niemand kan hun behaagen; zelfs zij niet, die hun gelijk geven, en van geenen beteren (tempel zijn.

Ik heb nog een beginzel onaangeroerd gelaten, 't welk echter hier verdient gemeld te worden. Men vindt 'er, die alles verachten, uit zekere aangenomen vooröordeelen. Men heeft hen van jongs af geleerd, de waereld, en het geheele menschdom, in een zeer ongunftig licht te befchouwen. De waereld is, volgends hunne denkwijze, een traanendal, eene rampwoeftijn, waarin niets dan verkeerdheid en ellende woonen: de menfehen zijn allen, zonder onderfcheid, een hoop bedorven wezens, waarvan men ?ich alles kwaads mag voortellen; derzelver deugd is maar fchijn en louter hedrog. De waarheid of valschheid dezer beginzelen hebben zij noit nader •nderzogt; en, met een blind geloof daaraan vasthoudende, veröordeelen zij doorgaands de daaden kenner medemenfeben ; ja , vinden zelfs; zo. het

fehijnt,

Sluiten