Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 559 )—

fehijnt, eenige voldoening in het verachten van zich zeiven en hunne eigen verrichtingen. Men zoude denken, dat de natuurlijke eigenliefde hen , althands ten aanzien van zich zeiven, hierin beletten zou. Maar neen: juist dit zelfde beginzel van eigenliefde doet hen zich zeiven verachten; naardien zij meenen , door dergelijke verklaaringen , Gode behaaglijk te zijn. Men zegt mij mogelijk: deze menfehen zijn zwaarmoedig en fomber van aard. Ten opzichte van veelen, is dit gewislijk het geval: doch ik ken 'er, onder de luiden, die gewoon zijn in dezen trant te fpreken, verfcheidea, die niets minder dan zwartgallig ■, die in tegendeel vrolijk van geest zijn; bij welken de verachting, waarmede zij de daaden hunner Medemenfehen bejegenen, alleen een gevolg is van de vooroordeelen, welken zij van jongs af hebben ingezogen, en die men niet zelden befpeurt, dat den mensch, in weérwil zijner eigen geaardheid, overdwarfchen.

Sluiten