Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 594 )-

nen; de Dienstboden te recht te ftellen; het Kind te beftraffen enz. Goede Hemel! welk een tooneel! ^De Man, van zijnen arbeid vermoeid, fmaakt hier een allerwezeniijkst verdriet. Bidt hij, van zulke klagten thands vericboond te mogen blijven, dan heet zulks minachting voor zijne Vrouw, opzetlijke berooving van haare achting; en de misnoegdheid, welke haar hart vervult, ontlast zich eindelijk , zonder op de tegenwoordigheid van Dienstboden of Kinderen te letten, in luidruchtige klagten en verwijtingen tegen den Man zelf, als de oorzaak van alle deze onrust. — Ja, laat hij zelfs zich gereed toonen, om elke huislijke zaak met haar te overleggen, dan nog is haar gefprek, en vooral de toon, waarmede zij fpreekt, loutere weeklagt. Dikwerf geldt bet dan de voorrechten, welken Vrouwen van haaren kring boven haar genieten; 't zij in het bijwoonen van gezelfchappen; in fraaiheid van opfchik, of het bezit van prachtiger huisgeraaden; en , hoe zeer haar de Man tot geduld aanmaanen, en met de hoop op beter tijden wil gerustftellen, dit alles is niet in ftaat, om haare luide klagten te doen eindigen. Die braave Man zelfs, die zijn brood in het zweet zijns aanfchijns wint, ziet zijne uiterfte vlijt met verwijtingen vergolden, van welke de eene even fchandelijk is, als de andere.

Indien nu zulk een Man , bet eeuwig klaagen moede, eindelijk het gezelfchap zijner Vrouw ontvliedt: indien hij buiten s'huis verftrooijiug en vreugde zoekt, en in den laaten avond te huiswaarts keert, .met geen ander opzet, dan om alle haare klagten

on-

Sluiten