Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

~H 656 )-

ken den man; hij is een deftig en braaf perfoon, heeft verdienden, en is rijk genoeg, om zich niet m de noodzaaklijkheid te bevinden, van eene aanmerk"ij'ke bruidfchat met haar te vraagen. Hij bemint haar, wil haar trouwen en gelukkig maaken. Gij kent hem ook wel; fchoon hij waarfchijnlijk zijne genegenheid, om te trouwen, nog niet ontdekt heeft. Ook ben ik van gedachten, dat gij, wanneer hij Zijn aanzoek bij u doet, hem niet zult afflaan."— Hier viel Matseof den Czar in de rede, en zeide: ,, dat zou, gelijk ik uwe Majefleit zo even verklaarde, eene zeer wenfchelijke zaak voor mij wezen , daar zulks mij van veel bekommering zoude ontlasten, welke ik geftadig voor dit arme Meisje in mijn hart gevoele. Mag ik nu uwe Majefleit bidden, om mij den naam van den Man te noemen.— Misfehien kenne ik hem ook, en ben in ftaat, uwe Majefleit eenige onderrichting nopens zijne oaftaiidigheden te geven."

„ Ik hebbe u gezegd, dat ik den Man kenne," hernam de Czar; ,, dat hij een braave eerlijke knaap, en in ftaat is, om zi;ne Vrouw gelukkig te maaken; dit moogt gij op mijn woord gelooven. Ik kan niets -meer van hem zeggen, voor dat wij weten, of Natal ia genegen is, hem te nemen."

„ Daaraan is geen twijfel," andwoordde Ma-tseof, ,, zodra zij hoort, dat uwe Majefleit haar een' Bruidegom bezorgd heeft, Gndertusfchen dient zij te weten, wie de perfoon is, om 'er ziqh pver te verklaaren. Dit, begrijp ik, is niet meer, dan redenlijk." — ,, Wel nu dan ," zeide de Czar," ik geve u te verftaan, dat ik zelf de Man ben, die beflote*

hek,

Sluiten