Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C <SÖ2 ) —

En , bii dit doodlijk flaan ,

Bij 't moorden veeier ftervelingen , Roept nog de mond Gods bijftand aan ,

Om hulp. bij 't woên der oorlogs - klingen : De moordkreet vult alom de lucht , Menschlievendheid ! gij ziddert — vlucht.

Verklaagt de menfehen voor Gods oordeel; En , heeft het moorden uitgewoed , Smoort 't oorlogsvuur in 't lillend bloed , Dan dankt 't vermetel hart den Hemel om dit voordeel.

God, die zijn fchepzel mint, Die u naar de aard heeft afgezonden ,

Kan 't zijn, dat Hij behaagen vindt , In 't wreede mart'len , doodlijk wonden ?

Hij fchiep ons allen lot geluk ,

En zij verfpreid-n ramp en druk : Tjj, die zichzelven Christnen heeten ,

Zij fmeeden kluifters ; trekken 't zwaard ;

Verpesten 't zaligst heil der aard ; Verpesten zelfs hun' ziel, zoo godloos, als vermeeten.

Wij flaan 't gefchied - boek op , Eh blad voor blad wijst ons tooneelen,

Waarin de woede en haat, ten top , Verdoemelijk haar hoofdrol fpeelen. In 't kleed van godsdienst, recht en wet , Wordt moedwil op den troon gezet : Van daar geeft zij haar bloedplakaaten j De list, die all' heur daaden vleit , Gilt uit : dit is rechtvaardigheid , Wij doen het op Gods last ; niet , wijl wij 't menschdom

hakten. In

Sluiten