Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 7 )-

Men vordert immers, in eenen Lijfarts, meer dan enkele nofologie, of ziektenkunde, en zoude aan hem het ligchaam niet toevertrouwen, ten ware.hij met genoegzame kennis der gefchiktfte geneesmiddelen onderleid wierd bevoorraad te zijn. Hoe nodig is dan de geneeskunde der ziele voor ieder Mensch, die zijn eigen geluk lief heeft, en zich zeiven allcngskens tot eenen hoogeren trap van volkomenheid tracht optevoeren! Hoe nodig inzonderheid is deze kennis voor alle die genen, die het zij, volgends hun beroep, het zij uit menfchenliefde , hun werk maaken, om de Menfchen te verbeteren! Of is het genoeg, tegen den gierigaard te zeggen : wees niet langer zoo hebzuchtig! — tegen den weïlustigen: verban uwe geile driften , en maak, dat gij uwe hartstochten meester wordt! — tegen den luiaard: wees ievirig cn werkzaam? Zodanig een Zedenmeester komt mij even zo dwaas voor, als een Lijfarts, die tot zijn' blóedfpuwenden lijder zegt: houd op met bloedfpuwen; of tot eenen, die in eene heete koortze ligt; bedaar uw bloed en zenuwgefel!

Geheel anders moet 'er met den Mensch, die naar de ziel ziek is, gehandeld worden, niet alleen dan, wanneer zijne ziekte ndhtunltjk (phij'fiek), maar ook, wanneer dezelve zedenlijk (jnoreel) is.

Ik wil thands alleen van de zedenlijke zielziekteil fpreken, op welker bijzondere genezing men inzonderheid tot nog toe zeer weinig fchijnt gedacht te hebben; hoewel dezelven geenzins minder talrijk zijn, dan de ziekten van het ligchaam, en het wezenlijk geluk van den Mensch, op deze wa'ereld, A 4 al-

Sluiten