Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 28 )-

geheele geftalte had iet zoo bevalligs, dat zij noodwendig ieder' , die haar zag, behaagen moeiten. Stout van voorkomen,hadden zij tevens koddige invallen, die belagcht werden, zelfs dan, wanneer zij weinig of niets beteekenden. Betje was ook geenszins haatelijk ; doch zij verloor altijd veel , wanneer zij tusfchen haare fchoone zusters ftond. Zij had insgelijks de vernuftigfte invallen; doch zij was zoo bloode, dat zij, vooral in groote gezelfchappen, weinig fprak. De twee anderen waren zeer netjes gekleed, en men kon duidelijk zien, dat de Moeder 'er met ernst op gedacht had, om haare fchoonheid, zelfs door de kleeding, nog meer te doen fchitteren. Betje, intusfehen, was zeer flordig gekleed, en men kon duidelijk zien, dat haare kleederen flechts afleggers van haar' Moeder waren. — „ O! dat zijn allerlieffle Kinderen!" zeide het ganfche gezelfchap, zoodra zij in de kamer traden. Zij ontvingen van ieder een kusje , terwijl men Betje, die wat befchroomd was , flechts flaan liet. Men nam de eerHen op den fchoot ; men prees haare kleeding; men fprak en boertte met haar; terwijl Betje naauwlijks werd aangezien. Ook nu begon de Moeder, welke, tot dus verre, dit alles met het grootst vermaak gezien had, in den lof dezer Meisjes breedvoerig uitteweiden. „ O! gij kunt u niet begrijpen, welke aardige Kinderen dat zijn! Denkt eens, welken zet L o tje gister gaf! Ik dacht mij haast van lagchen te bezeeren. En Louise - O ! zij is zulk een doortrapt ding!" — Dus bazelde de Moeder wel een half uur lang. Met Betjï bekommerde zich niemand.

Zij

Sluiten