Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—c ap y-

Zij ftond in een hoek, of zij niemand toebehoorde. Befchaamd doeg zij de oogen neder, bekeek haare nagels en vingers enz. en, daar zij het eindelijk niet langer houden konde, liep zij verdrietig heen , en trok de deur vrij hevig toe. — „ Ziet gij nu wel , Broeder," zeide de Moeder, „ welk een affchuwlijk Kind dit is ? " — De Man, intusfehen, dien zij dit vroeg, was geheel ontroerd. Handen en voeten beefden hem. Hij moest zich van het gezelfchap verwijderen , en in eene andere kamer gaan, waar hij zich in een leeningftoel wierp , en de bitterde traanen weende.

„ Hoe zo ?" fprak de Moeder, wanneer zij hem in dezen toeftand vond." „ Wat fchort u, mijn Broeder?" Broeder. Ach! laat mij alleen, wreede Moeder! Moeder. Ik? wreed? B. Dat zijt gij.

M. Tegen wien ben ik wreed ?

B. Omtrend uwe Kinders, en vooral omtrend de arme Betje.

M. Ik weet waarlijk niet, wat gij daar mede bedoelt. Verklaar u duidelijker! of het moestdie wreedheid.zijn, dat ik haar, op het oogenblik, dat zij de deur zo hevig toetrok, geenszins de flagen gegeven heb , welken zij billijk verdiend had?

B. Ach! Hoe is het mogelijk, dat een' Vrouw , die verftandig heeten wil, zoo onbezonnen fpreekt? Betje is niet zoo fchoon , als haare Zusters. Dit immers kan zij niet helpen. In plaats nu, dat gij haar eene kleeding zoudt bezorgen, weiketen min'ften dat gene eenigzins vergoedde, welk de natuur

haar

Sluiten