Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 6-1 )-

ma'jejiveufe tierven des Zaligmaakers, dezea regel ten (lotte hooren gebruiken: „Hijftierf—en 't Inatfte zugtje , aan zijne borst ontrukt, Sprak fchepzlen - min!"

Hoe fraai is die regel! dan, lec eens, of gij, bij den marteldood van Jezus, die zo wreèd, zo natuuronderdrukkend was, eene verkkening mogt bezigen? — 't Is waar; een lijdende Heiland behield de zachtaardigheid eens Hemellings, ook in zijn felfte lijden. Hsere! vergeef het hun! fprak door zijn geheele leeven , door zijn geheele fterven; doch, het kwam hier niet op de zachtaardigheid van Jezus aan; want dan zoude de verkkening des woords: zugt: goed zijn; maar het was hier de fchildering van dea jongtten ftuiptrek eener uitgeputte menschheid ; eene bezwijking der afgebeulde natuur, welke de Dichteres wilde kenteekenen, en daarom is de verkkening niet goed, en ten onpasfe aangevoerd.

Dit voorbeeld zij genoeg voor zeer veele anderen.

Vergunt mij, mijne Heeren, dat ik hier nog het volgende, voor onze denkende , onze Nederlandvereerende Dichteresfen, bijvoege.

Hoe veele lieden van fmaak en oordeel zijn verheugd, dat wij de Vrouwen, thands meer dan oit, met vruchten heurer genie zien ten voorfchijn treden, en de waereld meer en meer, overtuigd wordt, dat het vooroordeel valsch zij, 't welk de» fchoone Sexe geene foliditeit van denken toefchreef! — Wij betreuren thands de overleeden Dichteresfen de Lanjvoij en van Merken, en hoe wenfchelijk ware het, dat onze nog leevende Kunstvriendinnen zich

Sluiten