Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 74 )-

de befchouwing van het onderwerp behooren, en kenmerkt draSen. ^ « uit die befchouwinuit dat getroffen gevoel, voprdvloeien. Komen 'er «aken en fchoonheden tusfchen beiden , welke niet tot het onderwerp behooren \ niet uit het gevoel, ïijn voordgefprooten ; uit dat gevoel, waarmede de' Dichter over zijn onderwerp is aangedaan, dan veroorzaaken zodanige denkbeelden een gebrek aan eenheid: de hoofd-inhoud des gezangs raaktI verlooren; men mist een iteunpunr, en men raakt geheel in verwarring. Hierom is het voor de genie beter, zo rasch het gevoel verflaauwt, en de ylugge verbeelding eene wending neemt, door welke zij hét onderwerp uit het oog verliest, dat zij afbreekt en 't gezang befluit; het is beter, een kleen fchoon geheel, dan, door uitvoerig te willen zijn, een lang, doch wanflaltig (luk ten voorfchiju te brengen. Dit wanftaltig uitvoerige heerscht bij veelen onzer jeugdige Dichters, en wordt veelal daardoor veroorzaakt , dat men het onderwerp te veel uitput. In plaats, van het alleen te befchouwen, aan de zijde van het verhevene, van het fchoone, waardoor verbeelding en gevoel getroffen worden, daalt men tot het kleene, tot het geringe neder, en hierdoor wordt men dikwerf Zedenmeester, in de plaats van Dichter. Zomtijds tracht men de verzwakte aandoening, door verheven trekken, door vernuftige gedachten , van buiten het onderwerp gehaald, en die van het gevoel afwijken, te vergoeden; doch hierdoor verliest men de eenheid, en, met de^e, eene der grootfte fchoonheden in de kunst, 't Is ons

«iet

Sluiten